• Document: Berekening meerwaarde gebouwd onroerend goed en vereiste van geregistreerde aannemer: geen schending van het gelijkheidsbeginsel?
  • Size: 128.28 KB
  • Uploaded: 2018-10-11 15:22:55
  • Status: Successfully converted


Some snippets from your converted document:

Berekening meerwaarde gebouwd onroerend goed en vereiste van geregistreerde aannemer: geen schending van het gelijkheidsbeginsel? Arrest Grondwettelijk Hof nr. 183/2009 d.d. 12 november 2009 Feiten en procedure Een belastingplichtige koopt in 2003 een perceel grond met een woning in oprichting. Nadat het onroerend goed werd afgewerkt, deels door een geregistreerd aannemer, deels door de belastingplichtige zelf, verkoopt deze laatste het goed in 2004. De belastingadministratie beslist de belastingplichtige te belasten op de door hem bij de verkoop gerealiseerde meerwaarde overeenkomstig artikel 90, 10° WIB92. Bij de bepaling van de meerwaarde houdt de administratie rekening met de door geregistreerde aannemers uitgevoerde werken, maar niet met de werken van de belastingplichtige. De belastingplichtige dient hierom bezwaar in de bij gewestelijke directeur, die de oorspronkelijke aanslag bevestigt. De zaak wordt aanhangig gemaakt bij de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt, die de vordering van de belastingplichtige ongegrond verklaard. Tegen dit vonnis stelt de belastingplichtige hoger beroep in. In het kader van deze procedure stelt het Hof van Beroep van Antwerpen twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. Arrest van het Grondwettelijk Hof Een eerste vraag die aan het Hof werd voorgelegd was volgende: “Schendt artikel 101, §2, tweede lid WIB92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre de belastingplichtige die een gebouw heeft opgetrokken op een ongebouwd onroerend goed toestaat de prijs van het opgetrokken gebouw in rekening te brengen zonder acht te slaan op het feit of de werken werden uitgevoerd door een geregistreerd aannemer, door een niet- geregistreerd aannemer of door de belastingplichtige zelf, terwijl de belastingplichtige die een bestaand gebouw verkregen heeft enkel de kosten van werken door een geregistreerd aannemer in rekening mag brengen en niet de kosten van de werken door een niet- geregistreerd aannemer, noch de kostprijs van de materialen indien hij zelf de werken heeft verricht?” Het Grondwettelijk Hof stelt dat de wetgever voor het bepalen van de verkrijgingsprijs van een gebouw dat door de belastingplichtige wordt opgetrokken op een ongebouwd onroerend goed, slechts rekening kon houden met de prijs die tot maatstaf van heffing van de BTW heeft gediend. Het is, aldus het Hof, immers onmogelijk om zoals voor gebouwde onroerende goederen rekening te houden met de prijs waarvoor het gebouw door de belastingplichtige of door de schenker werd verkregen. Vermits in het stelsel van de BTW bij het bepalen van de maatstaf van heffing rekening wordt gehouden met alle werken, inclusief de werken uitgevoerd door een niet-geregistreerd aannemer, oordeelt het Hof dat het niet kennelijk onredelijk is om bij het bepalen van de meerwaarde van een door de belastingplichtige op een ongebouwd onroerend goed opgetrokken gebouw eveneens rekening tot houden met alle werken. 1 Daarnaast werd ook volgende vraag voorgelegd: “Schendt artikel 101, §2, derde lid WIB92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de aftrek toelaat van werken, in de mate dat ze worden uitgevoerd door een geregistreerd aannemer met door hem aangekochte materialen, daar waar de werken, uitgevoerd door een niet-geregistreerd aannemer en de materialen verworven en verwerkt door de belastingplichtige zelf niet in aanmerking mogen worden genomen?” Het Hof verwijst in zijn beslissing naar het doel van de registratie van aannemers, namelijk zwartwerk bestrijden. Gelet op die doelstelling acht het Hof het niet kennelijk onredelijk dat bij het bepalen van de verkrijgingsprijs geen rekening wordt gehouden met werken die zijn uitgevoerd door een niet-geregistreerd aannemer. Het Hof acht het evenmin onredelijk dat de belastingplichtige niet de kosten van de door hemzelf aangekochte bouwmaterialen in rekening mag brengen. Aldus wordt vermeden dat die bouwmaterialen door een aannemer worden aangewend, zonder dat hij voor die werken een factuur uitgeeft. Het Hof stelt aldus dat artikel 101, §2, derde lid WIB92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Bespreking van het arrest Algemeen wordt aangenomen dat de grondwettelijke regels van gelijkheid en niet-discriminatie het instellen van een verschil in behandeling tussen categorieën van personen niet uitsluiten, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en de aard van de geldende beginselen. Er is aldus sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel1. Op basis van deze omschrijving blijkt dat verscheidene criteria vervuld moeten zijn opdat een verschillende behandeling aanvaardbaar zou zijn. Wij baseren ons hiervoor op d

Recently converted files (publicly available):